BuiltWithNOF
Drama

 

LESIDEETJES MET DE 4 EMOTIES: BANG, BOOS, VROLIJK EN VERDRIETIG

 

Je kan deze ideetjes goed gebruiken in bijvoorbeeld een thema of projectweek met een passend onderwerp. Ook met een les sociale vaardigheden kunnen ze van pas komen. De kinderen leren het herkennen van emoties, de kenmerken ervan. Ze leren zich in te leven in de emoties van anderen.

Zet de kinderen allemaal in een kring. Laat ze nu allemaal om de beurt hun naam zeggen uit 1 van die 4 emoties. Jaap zegt bijvoorbeeld zijn naam dus heel vrolijk, terwijl Jantje juist heel verdrietig zijn naam zegt. Belangrijk is om het na te bespreken met de kinderen. Als Jaap zijn naam dus heeft gezegd de andere kinderen laten raden welke emotie hij had en waar je dat aan kunt zien/ horen.

 

De kinderen zitten in de kring. Om de beurt gaan ze in een houding zitten. Ze zitten of op een manier waaraan je kunt zien dat iemand bang, boos, vrolijk of verdrietig is. Je gaat dus weer uit van die 4 emoties. Ook nu is het nabespreken weer belangrijk. Welke emotie beeldt hij/ zij uit? Waaraan kun je dat zien?

 

De kinderen lopen allemaal rond in bijvoorbeeld het speellokaal. Je geeft de kinderen een paar gegevens waarbij de 4 emoties passen. Bijvoorbeeld: Je loopt in een eng donker bos, helemaal in je eentje. Op een gegeven moment weet je zeker dat er iemand achter je loopt. Dan is het dus de bedoeling dat de kinderen lopen zoals iemand die bang is. Bij vrolijk kun je bijvoorbeeld dit gegeven geven: Je bent van school alleen op weg naar huis en je bent jarig. Je weet dat er thuis al visite staat te wachten en dat je veel cadeau’s en taart krijgt. De kinderen moeten dan vrolijk gaan lopen. Een gegeven bij verdrietig kan zijn dat je vriendje het net heeft uitgemaakt en dat je daar kapot van bent. Dan heb je nog 1 emotie over: Boos. Hierbij kun je vertellen dat je net ruzie hebt gehad met je beste vriend of vriendin en je weet zeker dat jij gelijk hebt.

 

De kinderen zijn verdeeld in paren. Ze moeten maximaal 3 tableau’s bedenken. Het mag overal over gaan. Maar in het laatste plaatje ( tableau ) is er 1 boos en de ander bang, of er is er 1 verdrietig en de ander vrolijk. Een voorbeeld: Bij tableau 1 doen Jan en Piet alsof ze samen wat drinken. Uiteraard bewegen ze niet, een tableau is een soort foto. Bij tableau 2 morst Jan zijn drinken over Piet. Bij tableau 3 is Piet razend en doet bijvoorbeeld alsof hij Piet wil slaan en Piet kijkt bang.

 

De kinderen zijn weer verdeeld in paren. Nu bedenken ze een kort toneelstukje waarin minimaal 2 van de 4 emotie in voor komen. Het moet over een situatie gaan die je bijvoorbeeld op het plein of in de klas kan tegen komen.

 

Dit spel is niet echt geschikt voor de basisschool, maar als je bijvoorbeeld een groep hebt met veel ervaring kun je het altijd proberen:

Je verdeeld de klas in groepen. De groepen moeten nu allemaal een scene bedenken waarin je tegelijk allemaal steeds van emotie veranderd. Een goed en duidelijk voorbeeld kan een voetbalwedstrijd zijn. De kinderen in de groep zijn allemaal fans op de tribune bij een belangrijke wedstrijd. Eerst zijn ze bang want de tegenpartij dreigt een doelpunt te maken, daarna kunnen ze heel verdrietig zijn want de tegenpartij heeft gescoord. Dan zijn ze ineens heel boos want de scheidsrechter doet iets wat niet klopt. Uiteindelijk scoord hun partij en zijn ze weer vrolijk. Alle emoties van de kinderen zijn dus steeds hetzelfde, er kan er niet 1 vrolijk zijn terwijl de rest boos is. Er kan er echter wel 1 de aangever zijn, zodat de rest van de groep weet welke emotie ze op welk moment moeten hebben. Dit moet allemaal wel goed afgesproken worden.

 

Je verdeeld de klas in groepen en geeft elke groep een emotie. Ze mogen alles zelf bepalen, de wie, wat en waar enz. Er is wel 1 voorwaarde; ze moeten zich aan de emotie houden en het moet van een klein beetje naar heel erg veel gaan. Dus eerst bijvoorbeeld een beetje boos en daarna laaiend. De gevoelens moeten oplopen.

 

Je kan deze ideetjes natuurlijk altijd aanpassen zodat ze geschikt zijn voor je eigen groep.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

DRAMA MET TAAL

 

Letterrij: De kinderen gaan in een rij achter elkaar staan. De achterste gaat naar de spelleider toe en de spelleider laat hem/ haar een woord zien, bijvoorbeeld TAK. De achterste loopt weer terug en “schrijft” met de vinger de eerste letter, de T, op de rug van degene die voor hem/ haar staat. Die doet dat dan weer bij diegene die weer voor hem/ haar staat. Zo gaat het de hele rij door tot de eerste, de eerste onthoud de letter en moet uiteindelijk ook het woord raden. De tactiek is om dit zo snel mogelijk achter elkaar te doen, dus als degene die voor de achterste staat klaar is met de letter zo snel mogelijk de volgende letter te doen.                                                                                                            Doel: Letterherkenning, samen werken, concentratie.                                                                           Toepassing: Leuk voor tussen door en leuk voor een taalles.

 

Letterwoordenhints: Je hebt 2 ( of meer ) teams. De spelleider roept even veel kinderen per team naar voren als het aantal letters dat in een woord zit. Doe je het woord BOS dan komen er dus per team 3 kinderen naar de spelleider toe. De rest van het team blijft op de bank zitten. De kinderen die naar de spelleider zijn gelopen krijgen allemaal een letter. Dan begint het spel. De kinderen die moeten uitbeelden beelden iets uit wat met hun letter begint. Als we dus nog uit gaan van het woordje BOS kan het kind met de B dus bijvoorbeeld een rondje met de handen maken, een Bal dus. Met de O zou je een Oog kunnen aanwijzen en met de S zou je een Schoen aan kunnen wijzen. Al die eerste letters bij elkaar opgeteld krijg je dus het woordje BOS. Voorin de klas leg je iets neer waar de kinderen naar toe kunnen rennen en het omhoog kunnen steken als ze het woord weten.                                                    Doel: Samenwerking, fantasie, concentratie, ontspanning.                                                                    Toepassing: Taalles, rond een thema, als tussendoortje.

 

Rangschikspel: Iedereen loopt rond in de klas, ze hebben allemaal een nummer tot 4 of 5, dat hangt af van de grootte van de groep. Op een afgesproken teken van de spelleider zoeken alle nummers 1 elkaar op, alle nummers 2 elkaar op enz. Als ze allemaal bij elkaar zijn moeten ze op alfabet gaan zitten ( van hun naam ). Datzelfde kun je doen alleen dan met leeftijd, lengte, kleur ogen of haar enz.                       Doel: Educatief, alfabet leren, samen werken, rangschikken.                                                                  Toepassing: Ter kennismaking van een bepaald onderwerp ( bijv. alfabet ), het is ook een leuke warming-up voor een gymles of gewoon ter ontspanning kan het ook.

 

Lettergrepenspel: Er zijn twee teams ( of meer ). Elk team gaat in een eigen kring staan. Alle teams krijgen hetzelfde woord van de spelleider nadat er 1 iemand van het team op de gang is gaan staan van elk team. Dat woord heeft 4 of meer lettergrepen, dat hangt weer af van de grootte van de groep. Alle kinderen die op de gang stonden komen weer binnen en gaan in een kring staan van een ander team. Van tevoren is afgesproken wie in de cirkel welke lettergreep zegt. Alle kinderen in de kring gaan op het teken van de spelleider hun lettergreep zeggen en dat blijven ze herhalen. De persoon in het midden moet raden om welk woord het gaat.                                                                                                     Doel: Concentratie, educatief werken met lettergrepen.                                                                       Toepassing: Taallessen en ter ontspanning.                                                                                          Aanpassing: Voor groep 3 zou je korte woorden kunnen doen, bij groep 8 zou je het moeilijker kunnen maken door er een korte zin van te maken, dan zeggen de kinderen in de kring dus steeds een woord inplaats van een lettergreep.

 

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

WERKEN MET HET ZINTUIG: HOREN

 

Luistercirkel: De kinderen luisteren eerst naar alle geluiden buiten het schoolgebouw met de ogen dicht. Ze onthouden alle geluiden die ze hebben gehoord en op het teken van de spelleider doet iedereen de ogen weer open en vertellen ze wat ze gehoord hebben. Datzelfde doen ze dan nog twee keer, alleen dan nog een keer met geluiden binnen het schoolgebouw maar buiten het lokaal en dan nog eens met geluiden binnen het lokaal.                                                                                                     Doel: Concentratie, geluiden herkennen, leren focussen (dingen buiten te sluiten die niet van belang zijn) Toepassing: Leuk voor even tussendoor, voor rust in de klas, of bij een thema; bijvoorbeeld Zintuigen. Aanpassing: Luisteren naar de geluiden in je lichaam.

 

Geluidentocht: De kinderen zitten in de kring. Een leerling ( door de spelleider aangewezen ) gaat op geluidentocht door de klas, het kind maakt 3 ( meer of minder kan ook ) geluiden met materialen die in de klas staan. De rest van de kinderen blijft met de ogen dicht in de kring zitten luisteren naar de geluiden die het ene kind maakt. Als het kind van de geluidentocht klaar is gaat hij/zij er weer bij zitten en dan mogen de ogen weer open. De spelleider wijst weer een kind aan en die gaat proberen de geluiden in het lokaal op te zoeken en na te maken in de goede volgorde!                                           Doel: Concentratie, plaats bepalen, luisteren.                                                                                     Toepassing: In een bepaald thema, of leuk voor eventjes tussendoor.                                                  Aanpassing: Meerdere kinderen 1 geluid laten maken.                                                                         Groep: Kan met alle groepen gespeeld worden als je het aan past aan je eigen groep.

 

Nasynchronisatie: Je hebt twee groepjes. De eerste groep verricht de handelingen en maakt geen geluid. De tweede groep maakt de geluiden bij de handelingen die de eerste groep maakt. Als je bijvoorbeeld speelt dat je bij de tandarts bent speelt 1 groep de tandarts en patient terwijl de anderen bijvoorbeeld het geluid maakt van de boor, het kreunen van de patient of het vrolijk fluiten van de tandarts.                                                                                                                                      Doel: Samenwerking, geluid en een handeling aan elkaar kunnen koppelen, concentratie op wat de ander doet.                                                                                                                                          Toepassing: In een bepaald thema, voor even tussendoor.                                                                  Aanpassing: Als je dit met de jongere groepen wilt spelen kun je het 1 op 1 doen in plaats van met groepen. Zonder aanpassingen zou je het vanaf groep 4 of 5 kunnen spelen.

 

Hoorspel in de kring: Je verteld een verhaal terwijl de kinderen de bijbehorende geluiden daarbij maken. Je kan kiezen of je van tevoren de geluiden nog met de kinderen door neemt of gewoon begint met het verhaal te vertellen en kijkt of de kinderen zelf door hebben wanneer iets een bepaald geluid maakt. Je kan ook de keuze maken om alle kinderen het geluid te laten maken of bijvoorbeeld elk kind 1 geluid te laten maken. Alle kinderen zullen dan op het puntje van hun stoel zitten te wachten wanneer hun geluidje nou eens een keertje komt.                                                                                                Doel: Samenwerken, concentratie, inleving.                                                                                        Toepassing: Werken in een bepaald thema en leuk als tussendoortje.

 

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

DRAMATISEREN

Als je gaat dramatiseren kun je in een korte tijd een leuk toneelstukje in elkaar zetten. Dramatiseren doe je volgens bepaalde richtlijnen. Je gaat:

- Thema bepalen                                                                                                                                - Brainstormen                                                                                                                                   - Verhaal bedenken                                                                                                                           - Rollen verdelen                                                                                                                                - Scenes maken                                                                                                                              

De scenes zijn ook weer onderverdeeld in:

* Inleiding                                                                                                                                          * Motorisch moment                                                                                                                         * Ontwikkeling                                                                                                                                   * Climax                                                                                                                                             * Afwikkeling                                                                                                                                      * Einde

 

BIJVOORBEELD:

Thema: Dieren                                                                                                                                    Brainstormen: Geit, konijn, boerderij, pauw, voedsel, lief, schattig, veren, vacht, paard, dierentuin, jagen, poten, hoeven, oerwoud.                                                                                                             Verhaal: Nu pak je dus een paar van die steekwoorden eruit. We zijn op de boerderij. De kinderen zijn de dieren. De dieren kunnen praten. Van alle dieren zijn er twee, een ouder en een jong. Wat gebeurd er? Op de boerderij is er een creche voor de jonge dieren. Daar brengen de ouders de jongen naartoe. Dan ontstaat er een ruzie tussen de jongen over wie de mooiste is, het kuiken van pauw of de big. Er ontstaan twee kampen tussen de jongen. De ene helft is voor het kuiken van de pauw en de andere helft is voor de big. Net als dat bijna het hoogtepunt bereikt komen de ouders erbij en beginnen zich er ook mee te bemoeien. Uiteindelijk beeindigd het paard die zich steeds afzijdig heeft gehouden de ruzie.                                                                                                                                         Rollen: De kip ( altijd druk in de weer ), De koe ( dom en vergeetachtig, vergeet kalf mee te nemen ), Het konijn ( beetje gehaast altijd, kan niet stil zitten ), Het paard ( heel wijs en de baas van de creche tijdens de ruzie gaat het paard een beetje zijn/haar nagels vijlen en doet alsof er niets aan de hand is ), Het varken ( beetje lomp en overduidelijk aanwezig met zijn/haar geknor ), De pauw ( heel ijdel en beetje verwaand ), schaap ( een echte grapjas ), De kat ( heel lenig en maakt de raarste sprongen ), De hond ( steeds aan het grommen, heel waaks, bijna paranoide )                                                               Scenes: INLEIDING De jongen worden allemaal door de ouders naar de creche gebracht, ze komen 1 voor 1 op. Elk dier laat duidelijk blijken welke eigenschap ze hebben, de pauw komt heel trots en verwaand op, het varken juist weer heel lomp, de koe vergeet haar kalf, het paard de leidster van de creche. enz.                                                                                                                         MOTORISCH MOMENT De jongen zijn aan het spelen en de big springt onbenullig in een plas met modder zodat het kuiken van de pauw ondergespat wordt. Het kuiken wordt hier ontzettend boos om en zegt dat varkens lomp en lelijk zijn, hier wordt de big weer onzettend boos want hij vindt dat varkens juist mooi zijn en die pauwen maar raar en lelijk zijn.                                                                              ONTWIKKELING De ruzie ontwikkeld zich verder, de andere jonge dieren gaan zich ermee bemoeien. Het kuiken, het konijn, en de kat zijn het helemaal met de pauw eens, zo’n lomp geval als een varken kan toch onmogelijk mooi zijn? Het kalf, het lammetje en de puppie vinden echter dat zij ongelijk hebben, een varken is mooi en slim, een pauw is juist dom en lelijk.                                          CLIMAX Het hoogtepunt van de ruzie wordt bereikt als de ouders zich ermee gaan bemoeien. Uiteraard staat elke ouder achter zijn/haar eigen jong en de ruzie loopt hoog op. Uiteindelijk duwen het varken en de big de pauw en haar/ zijn jong in de plas met modder.                                     AFWIKKELING De pauw staat er beteuterd bij en nou komt het paard in actie, het paard heeft steeds afzijdig zijn / haar hoeven zitten vijlen en gedaan alsof er niets aan de hand is, ze moesten hun lesje maar leren. Het moraal van het verhaal verteld het paard dan ook: Iedereen is mooi, iedereen heeft iets aan zich dat mooi is, maar waar het uiteindelijk omdraait is het innerlijk, niet het uiterlijk.                              EINDE  Alle dieren zijn weer vrienden en spelen en kletsen gezellig met elkaar, zonder ruzie te maken!

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

OVERIGE DRAMA ACTIVITEITEN

 

Uitbeeldspel: In koppels ga je iets uitbeelden ( zonder te praten dus ) wat te maken heeft met een gegeven thema.                                                                                                                                     Doel: Belevingswereld, fantasie, verdieping van het thema, gaan spelen vanuit veiligheid.                   Toepassing: Uitdiepen van een thema, maar ook weer leuk als tussendoortje.

 

Afspreekspel: De kinderen spreken aan de hand van een gegeven af wat ze gaan spelen. Geef aan dat er duidelijk een begin, een midden en een einde aan moet zitten en dat er iets in moet gebeuren. Laat ze de overgangen van begin, midden en einde eventueel aangeven door middel van een tableau.                   Doel: Kinderen leren met elkaar een toneelstuk te verzinnen.                                                             Toepassing: Weeksluiting, toneel rond een thema.                                                                                                              

[Home] [Beroepsprofiel] [Info] [Stage, hoe en wat?] [Didactisch model] [Evaluatie] [Reflectieverslag] [Stappenplan] [Drama] [Bordtekeningen] [Handenarbeid]